Mail de redactieMail de redactie

Snel naar

Rondom het klaslokaal

Dit voorwoord schrijf ik in de trein, een grijze...

USAgenda 2017-2018

Een overzicht van de leerlingactiviteiten dit...

Nieuw redactielid

De huidige leerling-redactieleden doen dit jaar...

Ideeën welkom bij de medezeggenschapsraad

In de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad...

Genomineerde roman van docente Nynke Smits

Dit jaar verscheen bij Primavera Pers de historische...

Plusklassen 2016-2017

Afgelopen jaar konden leerlingen in de onderbouw...

Romereis twee-punt-nul

De Romereis is al jaren onderdeel van het Stedelijk...

Jodelende dodo’s op Socrates

Klas 1A en 1C vielen dit jaar in de prijzen tijdens...

Interview raad van toezicht

De beide rectoren van Athena en Socrates vormen...

Toetsen

Een wervelwind van brugklassers waait door de...

-- Oproepen en mededelingen --

 

 

 

Non chiederci la parola

Gepubliceerd op 16-12-2015

In de serie Libris& delen docenten van het Stedelijk hun tips voor boeken, apps, websites, et cetera. Deze keer een aansporing van filosofie-docent Joris Raven om even langer stil te staan bij (een van) de mooie Leidse muurgedichten. En ervan te leren:

 

Alles van betekenis is toeval. Het valt ons toe of niet. Een bepaalde houding kan daarbij wel helpen. Dan kan het je toevallen. Ook Bernlef schreef het heel mooi in een van zijn korte verhalen: dat toeval misschien niet bestaat, maar wel ontstaat. Of ontstaan kan. Het zijn tekens. Maar het zijn alleen tekens zolang wij ze zien. En zolang wij ze willen zien natuurlijk. Zo hangt het Leidse vol prachtige muurgedichten. Niet iedereen ziet ze. En wie ze heeft gezien, heeft misschien nog niet de moeite genomen om ze echt te bekijken.


Voor het toevallen van betekenissen is niet alleen een open blik noodzakelijk, maar ook lankmoedigheid. Beide kwaliteiten zijn uitgesloten voor hen die rap van tong zijn en beweren dat een dag nuttig moet worden besteed, dat een geslaagde reis kort en snel is en dat wifi ons gelukkig maakt. Leer dus het dichterlijk slenteren van muur tot muur.


“Non chiederci la parola…” Op de hoek van de Oude Rijn en de Pelikaanstraat lezen we een Italiaans muurgedicht van Eugenio Montale (1896-1981). Vermoedelijk werd dit gedicht in 1923 geschreven. In de bundel Dicht op de muur – Gedichten in Leiden vinden we de Nederlandse vertaling van K. van Eerd. Het gedicht bestaat uit drie strofen. De eerste strofe luidt:


Nee, vraag ons niet om taal als een lijst met strakke rand
rond ons vormloos gevoelen, die dat helder maakt
met vuurrode letters en als een crocus naakt
en alleen staat te pralen op stoffig land.


Wagen we ons aan een beknopte en strenge ‘Erläuterung’ van dit gedicht, dan zien we ten eerste dat de taal wordt vergeleken met een “strakke rand rond ons vormloos gevoelen”. De taal is een begrensde en begrenzende, afgebakende en afbakenende taal die het oorspronkelijk vormeloze in een vaste vorm vat. Deze taal, “die dat helder maakt”, is helder en welonderscheiden. Zo beperkte ook Descartes zich tot een denken van dien aard, clarus et distinctus. Bovendien lezen we over de taal als een schreeuwerige melding, “met vuurrode letters”. Welonderscheiden: eenduidig, van alles losgezongen “zoals een crocus naakt en alleen staat te pralen” en dan ook nog “op stoffig land”, dat wil zeggen op een weinig vruchtbare bodem. Hier is geen ontstaan en opbloeien van nieuwe taal, nieuwe woorden en betekenissen, geen ander denken meer mogelijk. De tweede strofe klinkt:


Ach hij die de weg kent waar hij gaat,
met anderen en zichzelf op goede voet,
en zijn schaduw negeert, die door de zonnegloed
op een verveloze muur geschreven staat!


Degene “die de weg kent waar hij gaat, met anderen en zichzelf op goede voet”  die de vertrouwde weg van de taal bewandelt, namelijk in het contact met anderen als communicatie-instrument  “en zijn schaduw negeert”  de beschaduwing van het denken te midden van de “zonnegloed” van de ‘klare taal’. De derde strofe besluit vervolgens:


Vraag ons niet om de formule die je werelden open kan leggen
wel wat krom gemompel, dor als oude schillen
We kunnen je heden slechts dit nog zeggen,
dat wat we
niet zijn, dat wat wij niet willen.


Nu is de spreker al verder ingepakt door de nivellering en gelijkschakeling. Een manier waarop zoiets als het ontsluiten van betekenissen mogelijk zou zijn, wordt al afgewezen. Sowieso zou een “formule”, een ‘formele’ regel, een starre vorm daar juist ook niet in slagen, maar zij wordt als de enige mogelijkheid gezien. De taal is “dor als oude schillen”, semantisch afgesleten. Derhalve is een eigen, authentiek en nadenkend spreken niet meer mogelijk: “We kunnen je heden slechts dit nog zeggen, dat wat we niet zijn, dat wat wij niet willen”.


Dit gedicht is niet alleen de weeklacht van een monddood gemaakte intellectueel die zich geconfronteerd ziet met het triomferende staccato van een fascistisch taalspel. Het is ook een helderziende aanklacht tegen taalmishandeling en taalverloedering, tegen de reductie van taal tot soundbites en hapklare informatie. Daarmee ook tegen de zich thans breed makende nivellering door ontlezing en digitale debilisering. En alle psychische, cognitieve en sociale gevolgen van dien.

 

Joris D. Raven
Leiden, november 2015