Mail de redactieMail de redactie

Snel naar

Rondom het klaslokaal

Dit voorwoord schrijf ik in de trein, een grijze...

USAgenda 2017-2018

Een overzicht van de leerlingactiviteiten dit...

Nieuw redactielid

De huidige leerling-redactieleden doen dit jaar...

Ideeën welkom bij de medezeggenschapsraad

In de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad...

Genomineerde roman van docente Nynke Smits

Dit jaar verscheen bij Primavera Pers de historische...

Plusklassen 2016-2017

Afgelopen jaar konden leerlingen in de onderbouw...

Romereis twee-punt-nul

De Romereis is al jaren onderdeel van het Stedelijk...

Jodelende dodo’s op Socrates

Klas 1A en 1C vielen dit jaar in de prijzen tijdens...

Interview raad van toezicht

De beide rectoren van Athena en Socrates vormen...

Toetsen

Een wervelwind van brugklassers waait door de...

-- Oproepen en mededelingen --

Profiel- en studiekeuze meer onder vergrootglas

Gepubliceerd op 07-12-2014

In juni 2013 heeft de Eerste Kamer de Wet Kwaliteit in Verscheidenheid aangenomen. Een belangrijk onderdeel daarin is de aandacht voor studiekeuze. Aankomende studenten moeten zich vóór 1 mei aanmelden en hebben recht op een studiekeuzeactiviteit: de studiekeuzecheck.
Doel hiervan is het aantal uitvallers terug te brengen. Op dit moment is de uitval fors: in het HBO stopt 37% van de studenten in het eerste jaar, in het WO is dat 28%. Het moment van oriëntatie en aanmelding blijkt een belangrijke rol te spelen. Studenten die zich laat oriënteren en aanmelden, vallen aanzienlijk vaker uit in hun eerste studiejaar dan studenten die dat eerder doen.

 

Hooguit een vragenlijst die je voor niets hebt ingevuld als hij je niets leert en een waardevol signaal als hij wél nieuwe inzichten verschaft. Maar vooral: meer aandacht voor het proces van studiekeuze, waarbij ook de rol van ouders groeit. Zo karakteriseert decaan Sven Kruizinga de nieuwe studiekeuzecheck, een van de pijlers van de wet Kwaliteit in Verscheidenheid. Hij ziet duidelijk voordelen, vooral omdat de studiekeuzecheck de aandacht vestigt op een belangrijk onderwerp dat tijd en reflectie vraagt: een zorgvuldige studiekeuze.

 

In de kern is de studiekeuzecheck eenvoudig. Bij bijna alle opleidingen bestaat de studiekeuzecheck uit een vragenlijst waarin de focus vooral ligt op motivatie. Wat je terugkrijgt is een overzicht van wat je zelf hebt ingevuld, plus een advies vanuit de onderwijsinstelling, vaak voorzichtig geformuleerd. Doel daarvan is dat je je nog eens goed achter de oren krabt over je keuze. Vooralsnog verlies je niet je entreerecht als de check uitwijst dat jij en de opleiding misschien niet zo’n goede match vormen. 
 
Op zich vindt Kruizinga de groeiende aandacht voor studiekeuzes logisch, gezien de hang naar meer efficiëntie in het onderwijs. Te veel mensen die niet afstuderen of afvallen, kosten zowel opleidingen als ouders eenvoudigweg te veel geld. In een tijd waarin zwaar wordt bezuinigd, is dat minder wenselijk.
 
 
‘Hoe kun je vooraf bepalen of een studie geschikt is als je die persoon niet kent?’
Toch plaatst Kruizinga ook kritische kanttekeningen. “Elke HBO- of WO-opleiding doet een studiekeuzecheck, maar wat dat precies is en wat de consequenties zijn bij een negatieve uitkomst verschilt per instelling. Ik heb ook nog nooit ergens gelezen dat je vooraf kunt bepalen of een studie geschikt is voor iemand, helemaal als je die persoon niet kent. De validiteit staat dus ter discussie, maar het is een feit waarmee studenten te maken krijgen. Ik zie ook dat de ene universiteit de studiekeuzecheck ziet als een opgelegd modeverschijnsel dat wel weer overwaait, terwijl de ander het beschouwt als een unieke kans om studieuitval terug te brengen.”
Ook opvallend, vind hij, is dat de vragenlijst van de studiekeuzecheck generiek op motivatie gericht is. “Terwijl een opleidings-specifieke vragenlijst zinvoller lijkt. Maar veel belangrijker is dat er lang niet in alle gevallen een gesprek met de student volgt. In Leiden bijvoorbeeld niet, terwijl in Utrecht met alle studenten wordt gesproken. Daar zit het grootste contrast tussen opleidingen, nog los van het feit dat opleidingen verschillend omgaan met studenten die niet komen opdagen bij hun studiekeuzegesprek.” 
 
‘In de bovenbouw is er niet zo’n duidelijk signaal dat er wat moet gebeuren’
Door de nieuwe wet is de deadline voor inschrijving voor studies vervroegd naar 1 mei. Konden leerlingen voorheen eerst hun eindexamen doen en dan de hele zomer nog nadenken over hun studiekeuze, anno 2014 moet die keuze dus al gemaakt worden voor ze hun diploma op zak hebben. “In klas 3 is de profielkeuze goed onderbouwd en een strak proces waar elke leerling doorheen moet. In de bovenbouw is er niet zo’n duidelijk signaal dat aan iedereen duidelijk maakt dat er wat moet gebeuren. Het is daardoor veel gemakkelijker voor bovenbouwleerlingen om te denken ‘Dat doe ik volgende week wel.’ Nu de datum van 1 mei er is, komt het signaal vroeger. Sterker nog: nu de loting bij numerus-fixusstudies is afgeschaft, kijken veel opleidingen bij decentrale toelating niet naar eindexamencijfers, maar naar de eindlijst van klas 5! Aan ons de taak om leerlingen en ouders ervan te doordringen dat je aan het einde van klas 5 een paar serieuze opleidingsopties moet hebben en in het begin van klas 6 de knoop moet doorhakken. Ideaal is: in klas 4 oriënteren, in klas 5 oriëntatie verdiepen, begin klas 6 kiezen.” 
 
‘Het vereist enige moed om géén bèta-profiel te kiezen’
Kruizinga wijst erop dat de aandacht voor studiekeuze ook een diepere laag raakt. “Onze leerlingen zijn gewend dat ze alles kunnen worden wat ze willen. Dat is ze steeds verteld vanuit het perspectief dat ouders zelf hadden. Daarom zie ik dat vaak exacte profielen worden gekozen, want daarmee kun je nog alle studies kiezen. Om maar geen mogelijkheden te laten afvallen, kiezen leerlingen iets wat niet bij ze past, maar wel veel opties open houdt. Het vereist enige moed om geen bèta-profiel te kiezen. Die bèta-keuze is voor sommige leerlingen een blok aan het been, terwijl de deur om naar een of twee andere vakken te switchen in klas 4 tot februari nog zeker niet dicht is. Switchen betekent overigens wel dat leerlingen in de tweede helft van dat jaar dan twee keer zoveel moeten doen om dingen in te halen. Echt veranderen van profiel gebeurt overigens weinig.”
 
‘Een hoger cijfer als je meer je best doet voor een vak, is geen wetmatigheid’
De keuze voor een profiel dat écht past bij een leerling wordt steeds belangrijker, benadrukt Kruizinga. “Bij het eindexamen mag er nu één vijf worden gehaald voor de drie kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde. Kies je een te moeilijke vorm van wiskunde, dan heb je mogelijk een probleem. En na 1 februari mag je niet meer veranderen van bijvoorbeeld wiskunde b naar wiskunde a. Daarbij komt dat als je in klas 3 een zes voor wiskunde hebt, de kans dat je naar TU Delft kan, vrij klein is. Als je in de klas 6 geen zeven hebt voor wiskunde, wil Delft je niet eens hebben. Wat ik vaak zie, is dat leerlingen denken: als ik zonder mijn best te doen een zes kan halen, wordt dat met wat inspanning wel een zeven. Helaas blijkt dat geen wetmatigheid te zijn.”
Vrijwel iedereen komt uit bij een profiel waarmee hij of zij uit de voeten kan. En kiest iemand toch het verkeerde profiel, wordt dat al snel duidelijk. “Je verliest dan een jaar. Maar of dat erg is? Het maakt duidelijk wat je wel en niet wilt en kunt. Iets waar anderen vaak pas veel later achter komen. Bovendien: de consequenties van een verkeerde studiekeuze zijn veel groter, financieel in elk geval.”
 
‘Het wordt normaler dat ouders zich meer met de studiekeuze bemoeien”
Parallel aan alle veranderingen ziet Kruizinga een veranderende rol van ouders. “Ik zie dat universiteiten daar meer aandacht voor krijgen en bijvoorbeeld workshops voor ouders organiseren. Een verkeerde studiekeuze treft ook ouders, vooral in de portemonnee. Ouders willen dat hun kinderen een zo klein mogelijke studieschuld hebben. Het wordt normaler dat ouders zich meer met de studiekeuze gaan bemoeien, het wordt een proces samen met kinderen. Ik vind dat een super positieve ontwikkeling. Als kinderen kunnen tappen uit verschillende bronnen, leidt dat alleen maar tot een beter resultaat.”
 
Meer informatie en hulpmiddelen met betrekking tot studiekeuze: http://decaangymnasiumleiden.nl/
 
Interview en tekst: Peter Pot 

Reacties

20-12-2014

Carla

Jammer dat een decaan zo anti wiskunde en techniekprofielen is. Alsof je alleen voor de TU Wiskunde B nodig heb. Ik ken helaas voorbeelden van kinderen die aan het eind van het gymnasium niet direct de studie van hun keuze konden doen omdat Wiskunde B noodzakelijk was en dat in de tijd van profielkeuze niet door school gestimuleerd was. Dit verhaal klopt ook niet met wat TU Delft zegt. Als je minder dan een 7 staat voor Wiskunde B wordt de kans dat je het redt een stuk kleiner maar motivatie is ook belangrijk en alle 3 keren dat ik er geweest ben werden ook voorbeelden genoemd van studenten die met een 5 of 6 voor Wiskunde het toch gered hebben.